Wanneer de klagende partij zich met haar klacht eveneens tot de Raad van State kan wenden om de nietigverklaring van de bestreden overheidsbeslissing te vorderen, dan wordt de indieningstermijn voor een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State opgeschort door een regelmatig ingediende klacht bij de Cultuurpactcommissie (artikel 25, lid 2 en 3).
Een klacht bij de afdeling Administratie van de Raad van State schorst echter niet de indieningstermijn bij de Cultuurpactcommissie.
Belangrijk is dat de termijnen bepaald in artikel 25, termijnen van verval zijn. Als een klacht na de termijn van zestig dagen wordt ingediend, dan wordt het verzoekschrift onontvankelijk verklaard. Als het advies niet verstrekt wordt binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 60 dagen, dan vervalt bovengenoemde opschorting bij de Raad van State.
De commissie moet in de eerste plaats een verzoening tussen beide partijen tot stand proberen te brengen. De commissie is immers in eerste instantie een verzoeningsorgaan. Zij formuleert pas een advies over de gegrondheid van de klacht als geen verzoening kon worden bereikt.
Dit advies is met redenen omkleed en duidt de bepalingen aan die geschonden zijn. Om haar advies kracht bij te zetten, voegt de commissie hieraan gewoonlijk enkele aanbevelingen toe. Deze aanbevelingen kunnen zowel gericht zijn tot de betrokken overheid als tot de voogdijoverheid. Zij hebben tot doel het gegeven advies te doen naleven. Belangrijk is nog dat deze adviezen gegeven worden tijdens een openbare zitting die door alle belangstellenden kan bijgewoond worden. Alle betrokken partijen, de ministers van Cultuur en ook de voogdijoverheden krijgen een afschrift van dit advies.